Publicaties

Keer terug

Infectieziekten bij reptielen en amfibieë:n

Het houden van een reptiel of amfibie als gezelschapsdier is een typisch verschijnsel van de rijke industrielanden en staat in schril contrast met de situatie in de ontwikkelingslanden, waar koudbloedigen doorgaans fungeren als voedselbron.  In de  Verenigde Staten zouden er niet minder dan 7 miljoen gezinnen er een reptiel als “pet” op nahouden.  Maar ook in Europa is het houden van reptielen of amfibieën in een terrarium uitgegroeid tot een aanzienlijke vorm van dierenliefhebberij.  Bij onze oostburen telt de “Deutsche Gesellschaft für Herpetologie und Terrarienkunde (DGHT)" maar liefst 7000 leden.  Ook Nederland en Belgie volgen en tellen diverse terrariumverenigingen.  In de meeste grootsteden van ons land vindt men een speciaalzaak die koudbloedigen te koop aanbiedt en ziet men het aantal terrariumliefhebbers aangroeien.

Reptielen en amfibieën zijn vrij gespecialiseerde diersoorten die in een sterke interactie staan met hun natuurlijke omgeving.  Het wegnemen van deze dieren uit hun biotoop, het transport van de dieren van de plaats van herkomst naar Europa en de dikwijls slechte huisvesting bij de handelaars hebben doorgaans een nefaste invloed op de gezondheid van het dier.  Maar ook bij aan gevangenschap gewende dieren,  kunnen inadequate levensomstandigheden oorzaak zijn van diverse pathologieën.  De kans dat de locale dierenarts hiermee geconfronteerd wordt is dus meer dan reëel.

Onze bedoeling is dan ook een korte schets te geven van de voornaamste pathologieën van deze koudbloedigen en advies te verstrekken bij de onderzoeken die dienen gevolgd te worden voor het stellen van de diagnose.  Veel van de ziektebeelden zijn een gevolg van infecties door opportunistische pathogenen, en een goede anamnese en correcte staalafname zijn dan ook van kapitaal belang...

 

   A. Bacteriele infecties.

1. Mondrot (Stomatitis ulcerosa)

Mondrot is wellicht één van de meest bekende ziekten bij reptielen.  Vooral slangen zijn hier

zeer gevoelig aan.  De vertegenwoordigers van de andere groepen (schildpadden, hagedissen) duidelijk minder.

Kliniek : slijmvlies rond de tanden is sterk gezwollen,  zodat boven- en onderkaak niet meer kunnen sluiten.  Bij het openen van de muil ziet men een weinig doorbloed slijmvlies.  In een later stadium treden “kaasachtige” etterhaarden op, soms gepaard met het ontstaan van kratervormige     --met etter gevulde- openingen in het tandvlees waardoor de tanden los komen. De necrotiserende stomatitis beperkt zich niet tot de mondholte maar breidt uit naar de oesophagus.  Mondrot is een bacteriële infectie en wordt vooral veroorzaakt door diverse gram negatieve staven waaronderAeromonas hydrophila, Pseudomonas aeruginosa, Serratia marcescens, enz.

Gelet op de hoge graad van resistentie aan antibiotica van deze gram negatieve staven, is het isoleren en identificeren van de kiem en het aanleggen van een antibiogram onontbeerlijk.        Staalafname: voor de isolatie van de kiem gaat men met een wisser het etterig materiaal rond of in de kraterige openingen van het tandvlees afnemen.  Daarna de wisser in het transportmedium steken (bijgeleverd bij elke vochtige wisser).

 

2. Rode beenderziekte (“Red leg”) bij amfibieën.

Rode beenderziekte komt voornamelijk voor bij kikkers, en neemt soms epidemische vormen aan zodat de gehele collectie kan uitsterven.  Epidemieën komen ook soms voor in natuurlijke populaties.

Kliniek : bloedrode verkleuring van bleke lichaamsdelen (buikzijde, binnenkant van de dijen) van het dier.  In een verder gevorderd stadium ziet men loszittende en afvallende vingers, tenen en huiddelen.  De lymfe verkleurt bloedrood en in de abdominale holte hoopt zich een met bloed vermengd exsudaat op.  Gram negatieve staven zoals Aeromonas en Alcaligenes zijn verantwoordelijk voor deze infectie.

 

3. Infectie van de ademhalingswegen bij reptielen.

Deze infectie manifesteert zich bij alle groepen, maar het meest gevoelig blijken slangen en schildpadden te zijn.  Niet zelden evolueert een infectie van de bovenste luchtwegen naar een pneumonie al, dan niet gepaard gaande met een sepsis.  Niet zelden treden infecties van de ademhalingswegen op na transport van de dieren, waarbij ze dan meestal aan suboptimale temperaturen zijn blootgesteld.

Kliniek : kleine schuimblaasjes ter hoogte van de neusopeningen, rochelend of piepend geluid tijdens het ademhalen, ademhaling met open bek en in een verdere gevorderd stadium: excretie van purrulent materiaal uit de luchtpijp.

Causale agentia :  diverse gram negatieve bacterien (Pseudomonas aeruginosa wordt vrij frequent gevonden, Aeromonas, Enterobacteriaceae) en zuurvaste bacillen van het Mycobacterium fortuitum-complex.

Staalafname : het etterig materiaal of het neusslijm is onontbeerlijk voor kultuur en antibiogram.

 

4. Septicaemie.

Sepsis is een reeds lang bekende pathologie bij reptielen en ook hier zijn het doorgaans gram negatieve bacillen zoals Aeromonas, Pseudomonas, Stenotrophomonas, Salmonella, enz. die er voor verantwoordelijk zijn.

Kliniek : geinfecteerde dieren kunnen soms symptoomloos zijn tot zelfs kort voor de exitus.  Bij anderen is de kliniek iets duidelijker : apathie, uitgestrekt liggen van de dieren, autolysis (huid in de nek van een slang wordt minder elastisch en blijft staan wanneer men ze tussen de vingers neemt), stuiptrekken, openen van de muil (vooral wanneer een long is geïnfecteerd), optreden van petechieën in het monddak.

Septicaemie kan het gevolg zijn van een locale infectie of een desequilibratie in de ecologie van het habitat van het dier.  Zo was er enkele jaren terug een massaal afsterven van de reptielen in een serpentarium te Brugge.  Oorzaak was een explosieve ontwikkeling van Pseudomonas aeruginosa-bacillen in de sproeiinstallatie van de terraria, dit tengevolge van kalkafzettingen in het sproeisysteem.  Door de hoge alkaliniteit van het drinkwater hadden de Pseudomonas-bacillen een optimale groei gekend waardoor de reptielen tijdens het drinken telkens een grote hoeveelheid bacillen innamen. 

Ook stress is dikwijls de oorzaak en niet zelden treed een dodelijke sepsis op kort na het transporteren van het dier.

Diagnose: bloedafname bij reptielen is doorgaans zeer moeilijk, vooral bij kleinere specimens. Uiteraard zijn bloedmonsters het ideaal uitgangsmateriaal voor het aanleggen van een bloedkweek                 waarbij het afgenomen bloed gespoten wordt in een speciaal recipient rijk aan voedings-   bestanddelen.  Een goed alternatief is ook het materiaal verkregen door het wrijven van een steriele swab tegen de petechieën op het monddak. Dikwijls wordt hieruit een reinkultuur gekweekt van het causale agens.

 

5. Maag- en darminfecties.

Bacteriële maag- en darminfecties treden zeer frequent op bij reptielen en zaaien zich soms uit tot de oesophagus. Vooral slangen en waranen zijn hier gevoelig voor.  Aeromonas, Pseudomonas en Salmonella zijn de voornaamste verwekkers.  Reptielen fungeren als natuurlijke drager van Salmonella-bacterien, voornamelijk van het arizona-serovar.  In natuurlijke populaties kunnen

80% van de dieren symptoomloze dragers zijn.  Stress of inadequate omstandigheden in gevangenschap veroorzaken dikwijls een desequilibratie in de relatie gastheer-parasiet.  De kultuur van de uitwerpselen van deze dieren geeft in die gevallen een overwegende groei van Salmonella.

Kliniek : slijmerige, stinkende en inflammatoire faecaliën.  Infecties met salmonella’s verlopen veelal extraintestinaal en leiden tot algemene systeeminfectie.  Biosol-M (met neomycine als actief bestanddeel) wordt nogal veel gebruikt als darmantisepticum maar is wegens de geringe resorptie van neomycine weinig doeltreffend tegen extraintestinale infecties met Salmonella.

Staal : uitwerpselen.

Een isolatie van de stam met gevoeligheidspatroon is sterk aan te raden. Indien gevoelig worden extra-intestinale Salmonella-infecties het best behandeld met de recente quinolonen (ofloxacine, enrofloxacine).

 

6. Cloacitis.

Ontsteking van de cloaca heeft doorgaans een voorbeschikte oorzaak : cloaca-verkalking, ondoordacht gebruik van een metalen sonde bij het sexen van slangen.

Kliniek: variëren van mild oedeem en ulceratie van de cloaca tot een massieve zwelling en doorbloede cloaca. Bij uitstulping treedt dehydratatie op.

Staal : vocht uit cloaca met wisser.

Bij behandeling dient voorafgaandelijk te worden onderzocht of er een calculus aanwezig is,      zo ja,  dient deze manueel of chirurgisch verwijderd worden.  Antibiotica therapie is nodig na een voorafgaande gevoeligheidsbepaling daar een groot gamma van gram negatieve bacterien kunnen verantwoordelijk zijn voor de infectie.

 

7. Ooginfectie.

Conjunctivitis is dikwijls geassocieerd met keratitis en komt vooral bij hagedissen, krokodillen en schildpadden voor.  Slangen karakteriseren zich door het bezit van een een beschermende oogschelp - ontstaan uit een vergroeiing van het bovenste en onderste ooglid - die bij elke vervelling mee vervelt.  Conjunctivitis manifesteert zich bij deze dieren als een infectie onder het ooglid ("subspectacle abscess").  Ingangspoort is een beschadigd oogvlies, een oogschelp die niet mee vervelt is, (zodat er zich tussen het oude en nieuw gevormde ooglid een bacterienhaard ontwikkelt), of een infectie (dikwijls bij stomatitis) van het bevloeiingskanaaltje van het oog dat uitmondt in het verhemelte.

Kliniek : bij reptielen met klassieke oogleden is het geinfecteerde oog  gezwollen en de beide oogleden kleven tegen elkaar aan.  Bij onsteking van de Harderiaanse klier is de zwelling zeer opvallend en het zijn vooral roodwangschildpadden die in buitenvijvers gehouden worden die hieraan gevoelig zijn.  In ons Atlantisch klimaat, gekenmerkt door een koud en nat voorjaar en een gematigde zomer met relatief weinig zon (in vergelijking met de warme continentale zomers van het zuidoosten van de Verenigde Staten) treedt onsteking van de Harderiaanse klier bij roodwangschildpadden doorgaans kort na de winterperiode op.

Gram negatieve staven (soms mengflora’s) zijn meestal verantwoordelijk voor ooginfecties.

Staalafname : kultuur met gevoeligheidstest kan gebeuren op het etterig oogsecreet of het  etterig materiaal dat zich soms in het monddak bevindt, ter hoogte van de monding van het bevloeiingskanaaltje van het oog.  

 

8. Dermatitis.

Schubrot is een veel voorkomende infectie bij slangen en hagedissen die op een te vochtige  bodem gehuisvest worden.                                                                                                                                De klinische verschijnselen varieren zeer sterk naargelang de graad van infectie.  Soms beperken deze zich enkel tot een verkleuring van enkele schubben, een gevolg van necrose van de bovenste keratinelagen van de schubben.  Bij ernstige infecties vindt men een extensieve ulceratie met ettervorming.  De etter is een mengsel van afgestorven witte bloedcellen, bacterien (gram negatieve staven, waaronder ook anaeroben) en weefselvocht.

Behandeling van schubrot bestaat uit het reinigen van de ontstekingsplaats met een breedspectrum antisepticum en het verwijderen van de loszittende debris.  Bij zeer ernstige en meer dieper- liggende infectie wordt deze topische behandeling aangevuld met het intramusculair toedienen van een actief werkend antibioticum.  Het subcutaan toedienen van extra vitaminen en vocht (glucose-zoutoplossing) kan soms noodzakelijk zijn, dit om dehydratatie tegen te werken.  Belangrijk is ook dat het te behandelen dier in een propere omgeving wordt gehuisvest om het risico van een secundaire infectie te minimaliseren.

Schubinfecties worden soms ook door dermatophyten (=schimmels) (Trichophyton,Micro- sporum, Microides) veroorzaakt.  Bij schildpadden bijvoorbeeld vallen er soms putten in het schild doordat er een schimmelinfectie optreedt juist onder de bovenste schublagen.

Staalafname : etter voor bacteriologisch en mycologisch onderzoek.

 

   B. Mycosen

1. Huidmycosen.

Bij xerofiele soorten van reptielen die in te vochtige omstandigheden gehouden worden treden soms schimmelinfecties op waarbij Fusarium, Geotrichum, Trichosporon en in mindere mate Trichophyton en Microsporum  als causaal agens fungeren.  Vooral Fusarium sp. ( F. oxysporum, F. solani) koloniseren nogal vrij frequent gekwetste huidoppervlakken om van daaruit het onderliggend weefsel te invaderen.

 

2. Systeemmycosen.

Systeemmycosen treden frequenter op dan men tot nu toe heeft vermoed en werden reeds uit volgende localisaties geïsoleerd : long, maag, galblaas, slokdarm, lever, mondslijmvlies, klier van Harder, milt, pancreas en ogen.  Een uitgebreid gamma van schimmels kan hierbij verantwoor-

delijk zijn : Rhizopus arrhizus, Basidiobolus ranarum, Aspergillus sp., Cephalosporium en Cladosporium sp., Fusarium sp., Geotrichum candidum, Candida albicans en diverse andere “fungi imperfecti” van de familie Dematiaceae.  

 

   C. Parasitaire infecties.

1. Protozoa.

Parasitaire infecties zijn wel de meest voorkomende ziekten bij amfibieën en reptielen en zijn zelfs verantwoordelijk voor meer dan 50 % van de infecties met dodelijke afloop.  Het zijn voornamelijk protozoa zoals  flagellaten, coccidia, amoeben en ciliaten en helminthen die de darmtractus koloniseren. Diagnose gebeurt door  rechtsreeks microscopisch onderzoek (flagellaten, amoeben) of na concentratie (coccidia, helminthen).

 

1.1. Flagellaten.

In de darmtractus van amfibieën en reptielen komen talrijke soorten flagellaten voor die een pathogeen of een potentieel pathogeen karakter bezitten (b.v. Hexamita, Monocercomonas, Trichomonas) ofwel onschuldige commensalen zijn (Proteromonas, Retortamonas, Chilomastix). In de praktijk is het echter zeer moeilijk te determineren tot het genus-niveau, laat staan de species.  Therapie steunt doorgaans op de kliniek en het vinden van massale hoeveelheden flagellaten in het microscopisch onderzoek.  Voor de behandeling is een éénmalige “stootdosis ” met metronidazole (250 mg/kg lichaamsgewicht) voldoende.

 

1.2. Coccidia.

Deze parasieten bezitten geen flagellen, zijn dus onbeweeglijk en behoren tot de Sporozoa.  Het zijn allen zeer stricte parasieten en veel onder hen zijn ernstige pathogenen.  De voornaamste genera zijn  Haemogregarina en Hepatozoon (bloedparasieten), Eimeria en Isospora (darmtractus).

Intestinale coccidiose komt vrij frequent voor bij de meeste groepen reptielen (schildpadden, hagedissen en slangen) en kan gemakkelijk opgespoord worden door microscopisch onderzoek in het klassiek “vochtig preparaat".  Andere genera zoals Cyclospora spp. vereisen een kleurtechniek (zuurvastheidkleuring).  Voor de behandeling van coccidiose gebruikt men Appertex in een éénmalige dosis van 5 mg/kg dat net zoals Flagyl in een weinig water dient opgelost en oraal toegediend te worden.

 

1.3. Amoeben.

Amoebiasis veroorzaak door Entamoeba invadens is een vrij bekende ziekte en behoort tot één van de meest ernstige protozoaire infecties bij slangen.  Deze amoeben hebben een directe levenscyclus en de trofozoïten met hun typische amoeben-vorm ontcysten enkel in het darmlumen om eventueel vandaar uit het bloed en andere organen (o.a.de lever) te invaderen.

De cyste is echter het transmissiestadium en ontwikkelt zich doorgaans niet bij de originele gastheer maar wordt wel uitgescheiden via de faecaliën in de buitenwereld waar ze verschillende dagen kunnen overleven. Het zijn deze cysten die dan door een ontvankelijke gastheer worden opgenomen, ongehinderd de maag passeren en zich ontwikkelen tot beweeglijke trofozoït.

Klinische verschijnselen van amoebiasis manifesteren zich door een opgezwollen colon en cloaca. Geinfecteerde dieren weigeren alle voedsel maar drinken vrij veel. Gewichtverlies en apathie eindigen doorgaans met een exitus.

De ziekte kan enkel accuraat gediagnoseerd worden door identificatie van de parasieten zowel in hun cyste- als trofozoit-fase in de uitwerpselen, alhoewel laatstgenoemde uiteraard enkel in verse faeces kan gevonden worden.

De behandeling van amoebiasis is niet altijd zo succesvol als de infecties met hogervermelde flagellaten of coccidia maar ook hier lijkt metronidazole (bij intestinale amoebiasis) het 1e keus antibioticum hetzij in een stootdosis van 250 mg/kg, hetzij 160 mg/kg/dag gedurende 3 dagen. Wanneer de amoebe andere organen heeft geinfecteerd zou chloroquine (1 ml/kg lichaamsgewicht  2 tot 3 maal per week en dit gedurende 3 weken) meer succes hebben.

 

2. Wormen (helminthes).

Worminfecties komen bij reptielen vrij frequent voor en worden zowel door nematoden, cestoden als trematoden veroorzaakt en hun parasitaire locatie is doorgaans de intestinale tractus. Trematoden durven soms vanuit de darm andere organen zoals gal, longen, bloedvaten en nieren infecteren. Nematoden nemen het merendeel van alle infecties voor hun rekening en niet minder dan een 1000-tal soorten komen bij reptielen voor.  In de praktijk en voor het routine labo is een determinatie tot op species niveau niet haalbaar.  Het is trouwens overbodig want voor een adequate behandeling volstaat het te bepalen tot welke groep (rondworm, lintworm of platworm) de parasiet behoort.  Diagnose gebeurt doorgaans door rechtstreeks microscopisch onderzoek van faecaliën, al dan niet na verrijking.

Voor de behandeling van infecties van nematoden steunt men zich op L-Narpenol of L. Ripercol (50 mg/kg/i.m.) waarin voor beide producten Levamisolehydrochloride het werkzaam bestanddeel is.

Cestoden en trematoden worden het best behandeld met Droncit (actieve stof is praziquantel) in een dosering van 50 mg/kg/p.o.

 

3. Longwormen of Pentastomen.

Pentastomen leven uitsluitend als endoparasieten. Hun nederlandse benaming is verwarrend want in feite behoren deze dieren niet tot de wormen maar tot de insecten of Arthropoda.

Pentastomida variëren in grootte van enke mm (Railliettiella spp.) tot 14 cm (Armillifer armillatus) en infecteren vooral slangen.  Ze worden gewoonlijk aangetroffen in vochtige gebieden zodat slangen uit de tropische regenwouden (b.v. Afrikaanse Bitis-en Python- soorten) veelal geinfesteerd worden.

Larven van pentastomen zijn uitgerust met vier afgeknotte en met een klauwtje voorziene ledematen die vooraan rond een soort mondopening liggen en waarmee ze zich gemakkelijk door de weefsel van de gastheer kunnen doorboren.  Het zijn deze migraties die ernstige pathologische vernietigingen veroorzaken.  Tot op heden is er nog onduidelijkheid wat hun levenscyclus betreft en voor de ontwikkeling tot adulte vorm zijn een aantal vervellingen vereist.

Pentastomen leven voornamelijk in de longen maar worden soms ook in de oropharyngale regio aangetroffen.  De vrouwtjes produceren een groot aantal eieren waarin zich vanaf het begin een primaire larve bevindt.  De eieren bereiken dan via de pulmonaire mucus de mond en worden vervolgens uitgebraakt of ingezwolgen.  De verdere ontwikkeling tot larven is afhankelijk van de opname door een geschikte gastheer die deel uitmaakt van de voedselketen van de eindgastheer.

De verankering van volwassen pentastomen in het respiratoir deel van de longen leidt tot een fibrose-achtige degeneratie van het longweefsel waarbij de elasticiteit ervan verminderd, hard wordt en de parasiet vervolgens ingekapseld wordt.  Soms worden de longen geperforeerd en treedt er een etterige pneumonie op.

Klinisch manifesteert zich een pentastomeninfectie door een reutelend geluid tijdens het ademen van de geinfecteerde slang, doorgaans met een duidelijke slijmuitscheiding en bij perforatie van de longen ook een secretie van bloed in mond en neusgaten.

Diagnose : de eieren waarin zich de primaire larven bevinden zijn zeer karakteristiek en kunnen door microscopisch onderzoek gemakkelijk geïdentificeerd worden.

Voor de behandeling van pentastomen-infecties baseert men zich op endo-ectoparasitica zoals Ivermectin, dikwijls met wisselend succes. Deze producten zijn bovendien sterk toxisch !

 

Literatuur.

Bush, M., 1980.- Antibiotic Therapy in Reptiles. In Current Veterinary Therapy VII. Small Animal Practice (Kirk         et al., Edts.): 647-649. Saunders Company, Philadelphia.

Chiodini, R.J., 1983.- The pathogenicity of Salmonella in snakes. Proceedings of the First International Colloquim     on Pathology of Reptiles and Amphibians (Vago & Matz, Edts.): 45-48. Presse de l' Université d' Angers,            Angers, 1982.

Cooper, J.E. and O.F.Jackson, 1981. Diseases of the Reptilia, Vol. I & II, 584 pp. Academic Press, London

Ippen, R., H.D. Schröder & K. Elze, 1985.- Handbuch der Zootierkrankheiten. Band I. Reptilien. Akademie   Verlag. Berlin, 432 pp.

Isenbuegel, E. & W. Frank, 1985.- Heimtierkrankheiten. Kleinsäuger - Amphibien und Reptilien. Verlag E.    Ulmer, Stuttgart, 402 pp.

Jooris, R., 1989 & 1990. Bacteriële infecties bij slangen en de behandeling ervan met antibiotica. Een recente              visie. Litteratura Serpentium, 9, 5: 186-201, 9, 6: 242-251 & 10, 1:4-19.

Jooris, R. & E. Tubex, 1988.- Over een progressief verlopende infectie in een reptielencollectie en de succesvolle      behandeling van een ernstige longontsteking veroorzaakt door Pseudomonas aeruginosa. Litteratura Serpentium, 8: 144-155.

Mayer, H. & W. Frank, 1974.- Bakteriologische Untersuchungen bei Reptilien und Amphibien. Ztbl. Bakt. Hyg.         Abt. Orig. A., 229: 470-481.

Needham, J.R., 1983.- The Labaratory Diagnosis of Bacterial Disease in Reptiles. Proceedings of the First   International Colloquim on Pathology of Reptiles and Amphibians (Vago & Matz, Edts.): 41-43. Presse de l'        Université d' Angers. Angers, 1982.

Ross, A. & G. Marzec, 1984.- The bacterial diseases of reptiles. Institute for Herpetological Research, 114 pp.

 

 

 

Robert Jooris,

Mediwaf, Afdeling Bacteriologie-Mycologie-Parasitologie.